WERK AAN DE WERELD

VROUWEN AAN DE TOP

Voor het eerst bestaat de top van het Nederlandse bedrijfsleven voor 26,7 procent uit vrouwen, zo blijkt uit onderzoek van de Commissie Monitoring Talent naar de Top. Hoe zit dat eigenlijk in de rest van de wereld? Vakbondsvrouwen van verschillende continenten geven hun mening.

Tekst Astrid van Unen Beeld Liesbeth Dinnissen (foto Kitty Jong); archief


NEDERLAND

‘JE WILT GEWOON DE HELFT VAN DE TOPPOSITIES’

FNV’s vicevoorzitter Kitty Jong viel niet van haar stoel toen ze las over een kwart vrouwen aan de bedrijfstop. ‘Het gaat allemaal veel te langzaam. We vormen de helft van de bevolking, dus je zou dat allang bereikt willen hebben. We nemen al genoegen met 30 procent, maar dat is eigenlijk raar. Je wilt gewoon de helft.’

De FNV heeft vorig jaar hard meegeschreven aan het SER-advies ‘Diversiteit aan de top’. ‘Daarin zijn voorzichtige stappen gezet richting een quotum voor slechts 93 beursgenoteerde bedrijven’, legt Jong uit. ‘Dat vind ik tegenvallen. En als je dan ziet hoeveel commotie dit veroorzaakt… De enorme weerstand hiertegen en die eeuwige drogreden dat het toch vooral om kwaliteit moet gaan. Alsof dat niet samen opgaat!’

Vrouwen moeten aan de top, is Jong’s heilige overtuiging. ‘Dat geldt ook voor mensen met een exotische achternaam en voor degenen met een arbeidsbeperking. Zij zijn nu oververtegenwoordigd in flexwerk, in banen waar het minimumloon wordt verdiend en in de bijstand. Daarom moeten wij als vakbond vechten voor meer diversiteit en inclusiviteit, want alleen zo kunnen we de kloof dichten. De top moet diverser en vooral inclusief.’

Jong is sinds 2017 vicevoorzitter van de FNV. Volgend jaar doet ze een gooi naar het voorzitterschap. Ze houdt er een directe bestuursstijl op na en is wars van wat zij noemt het ‘mannenjargon’: veel zinnen gebruiken om iets te introduceren. Tegelijkertijd merkt ze dat ze als vrouw ook onder een vergrootglas ligt.

‘Ik wil ook graag vrouw zijn. Ik zit in de top, maar houd ook van mooie jurken. Dan word je al snel gekwalificeerd als modepopje. Daar trek ik me overigens niet zoveel van aan. Ik vind de FNV een prachtige club. In 2017 ben ik in het vicevoorzitterschap gesprongen. Nu Han Busker heeft aangegeven te stoppen met het voorzitterschap, waarom zou ik die laatste sprong dan niet wagen? Als ik het niet doe, doet een man het.’


OOST-AFRIKA

‘DE STRIJD VAN VROUWEN IS VANZELFSPREKEND’

‘Jullie bewegen je in de goede richting, maar ik dacht eigenlijk dat Nederland het beter zou doen.’ De Keniaanse Caroline Khamati Mugalla, directeur van de East Africa Trade Union Confederation (EATUC), verbaast zich over het lage aantal vrouwen aan de top in ons land. ‘Als je kijkt wat de FNV investeert op het gebied van gender, dan zou je verwachten dat meer vrouwen op hoge posten zitten. Dit motiveert mij om verder te vechten.’

De EATUC verenigt vakcentrales uit zeven landen: Tanzania (waar zich ook het hoofdkantoor bevindt), Oeganda, Zanzibar, Rwanda, Burundi, Zuid-Soedan en Kenia. Mugalla kan een aardige vergelijking trekken tussen de verschillende landen als het gaat om vrouwenzaken. ‘In Kenia bijvoorbeeld zijn vijf vrouwelijke vakbondsvoorzitters, waaronder eentje uit de zware industrie. In de vakbondsbesturen is 30 procent vrouw.’

Zanzibar doet het heel goed, meent Mugalla. ‘Wat verrassend is omdat dit land voor bijna 100 procent uit moslims bestaat. De vicevoorzitter van de vakcentrale is een vrouw en de lidbonden tellen drie vrouwelijke voorzitters. Het zijn eigenlijk cijfers die je in Rwanda zou verwachten, waar in het parlement 60 procent vrouw is.’ Het bedrijfsleven in Kenia doet het ook niet slecht, stelt Mugalla. Bij staatsbedrijven is het aantal 30 procent, zoals ook vastgelegd is in de Grondwet.

Voor haar is de vrouwenstrijd vanzelfsprekend. Ook zij heeft hard moeten werken om de positie van directeur te verwerven. ‘In 2013 vertrok de vorige directeur, met wie ik veel had samengewerkt. Toen ik aangaf dat ik hem wilde opvolgen, waren er in het begin veel bezwaren. Ik was te jong, niet getrouwd, had nog geen kinderen. Gelukkig kreeg ik steun van mannelijke leden van de ITUC en de ILO. Die zeiden: “Maar zij is heel goed!” Dat hielp, haha.’


INDIA

‘MANNEN LATEN VROUWEN MEESTAL NIET TOE’

In het meest gevaarlijke land ter wereld voor vrouwen leidt Viyakula Mary de Indiase niet-gouvernementele organisatie SAVE (Social Awareness and Voluntary Education). Deze organisatie strijdt tegen kinderarbeid en voor gelijkheid. Ze neemt het op voor de allerarmsten in India, van wie een groot deel vrouwen en kinderen zijn. ‘In Zuid-India is 5 tot 10 procent van de topposities in handen van vrouwen’, vertelt Mary. ‘Dat is uniek, want meestal laten mannen hen niet toe.’

Deze van oorsprong computerwetenschapper en psychologe was al jong betrokken bij de vrouwenstrijd. Sinds tien jaar is ze directeur van SAVE. Maar nog steeds moet ze haar positie bevechten. ‘Fabriekseigenaren met wie we vaak te maken hebben, kijken op ons neer.’

Ze vertelt over een conflict in een printfabriek, waar de manager zich had vergrepen aan een werkneemster. ‘Zij kreeg hiervan de schuld. In paniek belde ze mij en ik ben naar de fabriek gegaan om met de eigenaar te praten. Het duurde 2,5 maand voordat die man overtuigd was van de fout van zijn manager. Ik heb zoveel mogelijk bewijs verzameld en moeten praten als Brugman. Uiteindelijk is die manager ontslagen en werd zij op haar eigen verzoek overgeplaatst naar een andere afdeling, dus een goede afloop. Maar ik denk dat die eigenaar eerder naar me had geluisterd als ik een man was geweest.’

De emancipatie in India heeft nog een lange weg te gaan, zegt Mary. ‘Maar voorlopig trekken wij nog de kar. Het doel van SAVE is gelijke rechten en gelijke posities voor mannen en vrouwen, daar vechten we voor. De positie van vrouwen is vooral afhankelijk van hun inkomen. Daarom moeten die lonen omhoog. Als alle inkomens gelijk zijn, kunnen we samen optrekken. We geven training aan vrouwen om hun kennis en vaardigheden te vergroten. Hoe sterker zij worden, des te beter wordt hun positie.’


WERELDWIJD

‘VROUWEN WORDEN SYSTEMATISCH GEDISCRIMINEERD’

In vakbondsland vertegenwoordigt ze de hoogste top. Sharan Burrow, sinds 2010 voorzitter van de internationale vakbeweging ITUC, reageert genuanceerd op de Nederlandse cijfers over vrouwen aan de top. ‘Het hangt af van welk perspectief je het bekijkt. Een kwart is nog niet de helft, maar het is wel veel meer dan in veel andere landen.’

Het probleem van ongelijkheid, betoogt Burrow, is natuurlijk wereldwijd. ‘We zitten nu in 2020, en je vraagt je af waarom vrouwen nog steeds geen gelijke rechten hebben. Dus ja, het gaat natuurlijk veel te langzaam. Omdat vrouwen systematisch worden gediscrimineerd, niet zozeer via wetten, maar meer door het management en door ongelijke beloning.’

In Burrow’s moederland Australië is het percentage vrouwen aan de top iets lager dan in Nederland. ‘Nog geen 25 procent’, zegt ze. ‘Vrouwen ontmoeten weinig andere vrouwen aan de top. In de laatste decennia zoeken ze andere uitwegen als ze het glazen plafond bereiken en er niet doorheen kunnen breken. Veel vrouwen zetten dan een eigen bedrijf op. Daarom vind je in Australië veel onderneemsters van midden- en kleinbedrijven.’

Ze noemt twee manieren om de discriminatie van vrouwen te tackelen. De eerste is een quotum invoeren. Daarnaast zou gelijke beloning transparant moeten worden, dus dat bedrijven openbaar maken wat vrouwen in hun organisatie verdienen en op welke positie. Voor vrouwen zelf heeft ze het volgende advies: ‘Blijf standvastig. Je hebt de macht en de kracht, dus blijf je eigen koers varen.’

Ze zegt het vanuit haar eigen ervaring. Het voorzitterschap, dat ze in 2022 zal opgeven, heeft ze niet cadeau gekregen. ‘Nee, ik moest daar wel voor vechten, ook twee jaar geleden nog bij de herverkiezing, maar dat is normaal. Zo werkt het in een democratie. Ik ervaar soms ook discriminatie, maar dat houdt me niet tegen.’

image

Deel deze pagina